|
|||||||||||||||||||||
|
Wettelijke situatie van marihuana
Gedoogbeleid Hoewel de handel in cannabisproducten officieel is verboden volgens de Opiumwet, wordt deze in Nederland onder een aantal voorwaarden (de zogenaamde AHOJ-criteria uit 1992 van het Openbaar Ministerie, later AHOJ-G) gedoogd. Dit komt erop neer dat een coffeeshop door justitie met rust wordt gelaten als men:
Het niet naleven van deze (of andere) strenge regels zorgt vaak voor sluiting van de coffeeshop. Het coffeeshopbeleid verschilt per gemeente. Gemeenten kunnen kiezen voor de nuloptie. Veel gemeenten staan de opening van nieuwe coffeeshops of uitbreiding van het aantal niet toe. In Amsterdam zijn coffeeshops verplicht een groen-witte coffeeshopvergunning met shopnummer op het raam te hangen. Rotterdam wil in 2009 de helft van zijn coffeeshops sluiten omdat ze te dicht bij een school staan. Ook andere gemeenten, maar ook de regering beraden zich op het vaststellen van minimale afstanden tussen coffeeshops en scholen. Het gedoogbeleid op het gebied van coffeeshops is merkwaardig. In Nederland wordt het bezit van maximaal 30 gram cannabis niet bestraft. Bij bezit van meer wordt dat geacht voor de handel te zijn en dat wordt wel bestraft. Zo mag de houder marihuana wel verkopen maar niet inkopen (het zogenaamde achterdeurbeleid: uiteraard weet men wel dat de voorraad ergens vandaan komt, maar dat wordt langs de achterdeur geleverd, officieel is het dus niet bekend en wordt het niet aangepakt). Herziening van de wet is volgens velen dan ook nodig. Internationale druk en verdragen staan een verdere versoepeling echter in de weg en er is zelfs sinds ongeveer 2004 sprake van een hardere lijn dan ooit sinds het onstaan van het gedoogbeleid in de jaren '70, met name door het oprollen van wietplantages. Bron: wikipedia.com De Marihuana wet in Nederland
De teelt van cannabis ziet op het gehele productieproces. Dit betekent van stekje tot wiet. Niet alleen de teelt van wiet, maar ook de teelt van hennepstekken behoort tot de strafbare cannabisteelt. Ook de handel in hennepstekken is strafbaar. Dit geldt ook voor hele kleine stekken, die gewoonlijk nog relatief weinig werkzame stof (THC) bevatten. Ieder deel van de hennepplant, waaraan de hars niet is onttrokken, valt onder de werking van de Opiumwet. Dit ongeacht het THC-gehalte van de plant. De wetgeving en de jurisprudentie is op dit gebied duidelijk. Op 21 april 1999 zijn enkele wijzigingen van de Opiumwet in werking getreden. Een van de wijzigingen betrof de introductie van het "beroeps of bedrijfsmatig handelen in strijd met een van de in artikel 3, eerste lid onder B gegeven verboden", alsmede de introductie in die verboden van het bestanddeel "telen". Uit een in maart 1998 afgeronde procesevaluatie van de richtlijn Opiumwet van 10 september 1996, gebaseerd op de Opiumwet zoals deze luidde voor de hiervoor genoemde wijzigingen, kwam naar voren dat in het land verschillend werd omgegaan met toen onder het bestanddeel "aanwezig hebben" gehan-teerde begrippen als kleinschalige en grootschalige bedrijfsmatige teelt van nederwiet. In die richtlijn werd naast het aantal planten gewerkt met indicatoren om de professionaliteit van de teler te bepalen. Voor de strafeis werd een koppeling gelegd tussen het aantal aangetroffen planten en het aantal oogsten per jaar. In de praktijk pakte die koppeling niet altijd rechtvaardig uit. Beroeps- en bedrijfsmatige teelt Onder vigeur van de nieuwe wettelijke regeling gaan deze aanwijzing alsmede de richtlijn voor straf-vordering Opiumwet softdrugs uit van twee situaties: er is sprake van ofwel beroeps- of bedrijfsmatige teelt, ofwel geen beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Voor de bepaling of van beroeps- of bedrijfsmatig handelen sprake is en de mate daarvan, kan worden aangeknoopt bij een aantal indicatoren. Deze indicatoren zijn genoemd in bijlage 1 bij deze aanwijzing. Bij een hoeveelheid van 5 planten of minder wordt aangenomen dat er geen sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. Deze situatie wordt gelijk behandeld als de situatie waarin wordt geconstateerd dat sprake is van een geringe hoeveelheid, bestemd voor eigen gebruik. In die gevallen volgt sepot met afstand, met als motief "gering feit". Sepotcode: 40 Een andere wijziging van de Opiumwet hield verband met de invoering van een verhoogde strafmaat voor beroeps- en bedrijfsmatige hennepteelt. Op grond van het aangepaste artikel 11 van de Opiumwet behoort onderscheid te worden gemaakt tussen de normale veel voorkomende c.q. hobbymatige teelt en beroeps-of bedrijfsmatige teelt. Voor de goede orde: onder teelt worden hier, behalve telen in de taalkundige zin van dit woord, ook verstaan de andere in artikel 3 eerste lid onder B van de Opiumwet genoemde handelingen. Ook bij telen is de hoeveelheid plantmateriaal van belang bij de afwegingen rond opsporing en vervolging. Het ligt in de rede om voor de teelt een toegespitste regeling te hanteren omdat levend plantmateriaal al snel de gewichtsgrens van 5 gram zal overtreffen. Prioriteit ligt bij de beroeps/bedrijfsmatige teelt. Bij de vaststelling van hetgeen beroeps/bedrijfsmatige teelt is, spelen de volgende factoren een rol:
de rol van de verdachte: is er bijvoorbeeld sprake van het gedurende langere tijd investeren in het Indien wordt voldaan aan meer dan twee punten, genoemd in de lijst indicatoren met betrekking tot de mate van professionaliteit, zoals opgenomen in bijlage 1, gaat de richtlijn voor strafvordering Opiumwet, softdrugs, uit van een hogere beboeting. Uit de richtlijnen wordt al gauw duidelijk dat in de ogen van justitie al zeer gauw sprake is van professionele hennepteelt. In geval van teelt van niet meer dan 5 planten wordt aangenomen dat sprake is van niet beroeps/bedrijfsmatige teelt. Bij dit aantal mag worden aangenomen dat het een teelt uitsluitend voor eigen gebruik betreft. Er volgt in dat geval bij ontdekking politiesepot met afstand. De teler dient bij ontdekking dus wel afstand van zijn hennepplanten te doen. Niet bedrijfsmatige teelt van een geringe hoeveelheid voor eigen gebruik heeft, indien de verdachte volwassen is, geen prioriteit. Teelt door minderjarigen behoort steeds te leiden tot een strafrechtelijke reactie. Teelt van cannabis en de milieuwetgeving Bij de illegale productie van hennep kan sprake zijn van overtreding van de Opiumwet, maar ook van overtreding van de Wet milieubeheer of andere milieuwetten. De Wet milieubeheer verplicht tot het hebben van een vergunning voor het oprichten en/of in werking hebben van een inrichting die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. (art. 8.1, eerste lid, jo. art. 1.1, derde en vierde lid). Vooraf dient van geval tot geval te worden bezien of er redenen zijn om (ook) op basis van milieuwetgeving op te treden. In de afweging dient ook betrokken te worden de schaarse capaciteit van milieudiensten en het gerechtelijk laboratorium. Het driehoeksoverleg is het geëigende forum om hierover afspraken te maken. Teelt van cannabis en de belasting De fiscale behandeling wijkt af van de strafrechtelijke. De belastingdienst heft geen BTW over de handel in wiet (marihuana) en hashish. Heffing van BTW over binnen de Europese Unie absoluut verboden zaken (drugs en vals geld) is namelijk niet toegestaan. Sinds 1 januari 1997 is de belastingdienst niet langer neutraal. Zij heft weliswaar belastinggelden over alles wat god en wet verboden heeft, maar aan de kostenzijde is de neutraliteit in de Wet op de Inkomstenbelasting opgeheven. Indien de grow-shophouder na afdracht van belastingen door de strafrechter wordt veroordeeld wegens de handel in hennepstekken kan de belastingdienst de kosten die verband houden met het misdrijf waarvoor hij is veroordeeld bij de winst tellen. Stel dat de growshophouder in zijn boeken heeft gemeld dat hij voor 1.000,-- gulden stekken heeft ingekocht en dat deze voor 1.250,-- heeft verkocht, dan bedraagt zijn bruto winst 250,-- gulden. Wordt hij echter door de strafrechter veroordeeld voor het verhandelen van de ingekochte stekken, dan wordt in het jaar van de veroordeling 1.000,-- gulden bij zijn winst geteld. De kosten van de inkoop wordt dan ineens winst. Op 10 september 1996 werden door het College van Procureurs-Generaal richtlijnen inzake het opsporings- en strafvorderingsbeleid strafbare feiten Opiumwet vastgesteld. De hennepteelt komt in deze richtlijnen in bijlage B onder III aan de orde. Ik citeer: "Opzettelijk aanwezig hebben (telen of kweken)." Het uitgangspunt/criterium is de hoeveelheid eindproduct. Het aantal aangetroffen planten, de grootte ervan, alsmede het aantal oogsten per jaar kunnen dienen als indicatie voor die hoeveelheid.
Op 21 april 1999 is de maximale gevangenisstraf voor de beroepsmatige hennepteelt verhoogd van maximaal 2 jaren tot maximaal 4 jaren. De maximale geldboete is verhoogd tot € 45.000,--. Bovenstaande richtlijnen zijn op 2 november 2000 komen te vervallen. Op die datum zijn nieuwe richtlijnen in werking getreden, welke op 27 december 2000 zijn gepubliceerd in Staatscourant nummer 250. Aan de hand van deze richtlijnen kan in Opiumwetzaken de eis van de Officier van Justitie ter terechtzitting vrij nauwkeurig worden berekend. Justitie heeft voor dit doel een voor een ieder toegankelijk computerprogramma ontwikkeld. Dit zogenoemde “Beslissing Ondersteuning Systeem” treft u op deze site onder “overige publicaties” aan. Het valt op dat de ruimte om hennepteelt af te doen middels een transactie (het betalen van een geldsom ter voorkoming van strafvervolging) is toegenomen. In de “boeteregeling Opiumwet softdrugs” wordt met betrekking tot softdrugsdelicten opgemerkt dat daarbij meer ruimte bestaat om de economische aspecten te belichten. Op deze wijze kan het Openbaar Ministerie veel teeltzaken afdoen zonder tussenkomst van een strafrechter. Ondanks het feit dat het Openbaar Ministerie gewoonlijk de richtlijnen hanteert, moet worden geconstateerd dat de strafoplegging in drugsdelicten nog steeds aanzienlijke verschillen vertoont. Dit is enerzijds ook logisch als we bedenken dat de strafrechter rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte teler. Kweekte hij uitsluitend uit winstbejag of kweekte hij voor eigen gebruik? Is hij eerder met politie en justitie in aanraking geweest, met andere woorden was hij een gewaarschuwd mens? Heeft het opleggen van straf vanwege bijzondere omstandigheden een extra leed toevoegend effect? Verklaarbaar of niet, de voorzitters van de gerechtshoven en de rechtbanken hebben afgesproken te streven naar meer eenheid in het opleggen van straffen. De gemaakte afspraken zijn als zogenoemde “oriëntatiepunten voor de zittende magistratuur” gepubliceerd in het Nederlands Juristenblad van 13 oktober 2000 en zijn tevens te vinden op de website www.rechtspraak.nl. Ik citeer: Het gaat hier om het min of meer bedrijfsmatig, in ieder geval met een zekere professionaliteit, kweken van hennepplanten in ruimten zoals bijv. een huis of een loods met als doel de verkoop van de geoogste planten. Bovendien moet het dan gaan om een verdachte die hiervoor niet eerder is vervolgd en die niet in georganiseerd verband handelt. Uitgangspunt bij het hanteren van deze oriëntatiepunten is dat het financieel voordeel is of wordt ontnomen en dat de apparatuur is of wordt onttrokken aan het verkeer.
Daar waar hierboven gesproken wordt over gevangenisstraf moet worden bedacht dat “first offenders” in plaats daarvan gewoonlijk een werkstraf opgelegd krijgen. Bron : Advocaten Buro André Beckers
|
||||||||||||||||||||
Copyright © 2008 Amsterdammarijuanaseeds.eu |
|||||||||||||||||||||